‘Andere Achterhuizen’
Multimediale presentatie van Peter Henk Steenhuis en Marcel Prins.
Datum: Zondag 11 april 2010 om 15:30 uur
Entree:
€ 7,50 in de voorverkoop,
€ 10,00 aan de kassa
Incl. synagogerondleiding (om 14.00 uur) of
Incl. wandelrondleiding (om 14.00 uur):
€ 10,00 voorverkoop
Aanmelden voorverkoop:
Email -
Telefoon - 053-4324507
|
|
Voorafgaand is er om 14.00 uur de gelegenheid deel te nemen aan een
rondleiding door de Synagoge [klik hier].
Ook kunt u kiezen voor deelname aan een
Wandelrondleiding ‘Stille getuigen; 1940- 1945’ [klik hier] ook om 14.00 uur.
Op 28 maart worden boek en website van het project ‘Andere Achterhuizen’ gepresenteerd in het
Joods Historisch Museum in Amsterdam. Een bijzonder project, over onderduiken en oorlog, maar ook over vrijheid. Als je ondergedoken bent, zijn alle vormen van vrijheid beperkt. Een aantal van die vormen komen in de presentatie aan bod. Maar er worden ook animaties van de website getoond en fragmenten voorgelezen.

De mogelijkheid wordt geboden het
boek te kopen en
door de auteurs te laten signeren.
Marcel Prins en
Peter Henk Steenhuis interviewden voor het
project ‘Andere Achterhuizen’ vijftien Joden die ondergedoken hebben gezeten. Hun verhalen zijn in het boek te lezen, maar op de website zijn de verhalen ook verbeeld in animaties.
Vanaf 28 maart zal de website
www.andereachterhuizen.nl in de lucht zijn.
Over de auteurs:
Marcel Prins (Ibadan, 18-12-1962) is werkzaam als cameraman en filmmaker. In 2005 maakte hij Het misdrijf van Abraham Prins, die genomineerd werd voor het Gouden Beeld, de prijs voor de beste televisiedocumentaire van dat jaar.
www.marcelprins.com
Peter Henk Steenhuis is filosofieredacteur bij Trouw en publicist. Momenteel werkt hij aan een filosofisch drieluik over het kijken naar kunst, het lezen van poëzie en het luisteren naar muziek. Het eerste deel daarvan, Filosofie van het kijken, dat hij schreef samen met de filosofe Mieke Boon, verscheen in 2009.
In "De Journalist"
Fragment uit het boek: ‘Andere Achterhuizen’:
‘De drie piano’s’, interview met Jaap Sitters.
Er klonk gebons op de voordeur. ‘Naar boven!’ riep vader. We vlogen naar onze schuilplaats tussen de beneden- en bovenverdieping. Beide verdiepingen bestonden uit kamers die van elkaar gescheiden waren met schuifdeuren. En er stonden kasten. De schuilplaats bereikte je door de kastvloer in de bovenkamer op te tillen, waardoor je je kon laten zakken tot op het plafonnetje van de kast eronder. Boven elke kast pasten drie, vier personen. Boven de schuifdeuren was nauwelijks ruimte voor één: mijn plek.
Terwijl we op handen en voeten via het plafonnetje boven de schuifdeuren naar de andere kant kropen, kreeg Assees een hoestaanval. Vader timmerde hem op zijn rug en vloekte vreselijk. Het hielp, Assees hield op met hoesten.
Ik hoorde de zware laarzen in de gang en de stemmen van Jos en de Duitsers, die nu steeds luider werden. Ineens werd ik doodsbang, natuurlijk zouden de Duitsers het gebons van mijn hart en het gehijg van de anderen kunnen horen. Ze klopten op de muren, op zoek naar holle ruimtes. Eindelijk werden de geluiden minder, de voordeur ging open en dicht. Geluk gehad.
Maar we wisten niet of het een routine-inval was of dat iemand ons had verraden. Niet lang daarna kwamen de Duitsers terug, midden op de dag. Ik was in de kelder aan het spelen en had het gebons op de deur niet gehoord. Een paar onderduikers renden langs me heen, naar buiten, om zich te verstoppen in de greppel van het weiland land achter de tuin. Daar kwam je via een luik in de schutting. Voor ik het wist was ik weer alleen. Toen hoorde ik vader boven aan de trap: ‘Jaap, verberg je! Wij zijn boven in de schuilplaats.’ Geen tijd om wat terug te zeggen.
De deur naar de kelder ging opnieuw open. Ik moest wat doen. Naast me stond de ijzeren vuilnisbak, ik tilde het deksel op, liet me er vliegensvlug in zakken met het deksel op mijn kop. Voetstappen naderden, stopten bij de vuilnisbak, het deksel werd opgetild. Er klonk geen Duits commando, ik werd niet uit de vuilnisbak gesleurd. Iemand stortte een lading schillen en ander vuil op mijn hoofd, en deed de deksel weer op de bak. Ik verroerde me niet, totdat de kelderdeur weer open ging en mijn vader naar beneden riep: ‘Kom maar tevoorschijn. Alles veilig!’
Ik tilde het deksel op en kroop onder de schillen vandaan. Mijn vader kwam niet meer bij van het lachen. Hij beval me te blijven staan tot hij moeder erbij had gehaald. Gelukkig troostte zij me en maakte mijn gezicht schoon. De doek die ze gebruikte werd rood van de bietenschillen.
Die avond kwam onverwachts onze man uit het verzet langs. Hij had een grote zak bij zich. Hij was bij de boer geweest en had lakens en dekens voor eten geruild. Toen hij de zak opende, kwam daar een enorme ham uit, en broden, en wel honderd eieren. Er hing meteen een feeststemming in huis. Al gauw rook het heerlijk: op ons noodkacheltje sputterden de uitsmijters. Ik kon nauwelijks wachten. Smullen! Niet lang daarna kwam de hele boel er weer uit omdat mijn maag het vet niet meer verdragen kon.